Free eBook, AI Voice, AudioBook: In het land der zon - Een kwart eeuw tusschen de keerkringen by M. T. H. Perelaer

AudioBook: In het land der zon - Een kwart eeuw tusschen de keerkringen by M. T. H. Perelaer
0:00 / Unknown
Loading QR code...
You can listen full content of In het land der zon - Een kwart eeuw tusschen de keerkringen by M. T. H. Perelaer in our app AI Voice AudioBook on iOS and Android. You can clone any voice, and make your own AudioBooks from eBooks or Websites. Download now from the Mobile App Store.
Listen to the AudioBook: In het land der zon - Een kwart eeuw tusschen de keerkringen by M. T. H. Perelaer
I. BATAVIA.
Het was omstreeks vier uur in den namiddag van den 1sten Januari 185*, toen zich het groote hek van ’s landswerf te Batavia, welke aan de Kali Besar (groote rivier) gelegen was, opende, om doorgang te verleenen aan een detachement suppletie-troepen, dat dienzelfden morgen met het fregatschip Fernandina Maria Emma uit Nederland op de reede was aangekomen.
Vier tienkojangs-prauwen hadden dat detachement van het zeekasteel afgehaald en waren het lange havenkanaal opgestevend, hetwelk de eenige toegang van uit zee tot de hoofdplaats van Nederlandsch-Indië verleende, waarbij zij evenwel ongeveer een paar honderd meter benoorden van de Welkomst-batterij ten gevolge van de ingetreden eb in den modder waren blijven steken.
Dat oponthoud was niet alles voor de betrokken reizigers. De manschappen moesten, blootgesteld aan de brandende zonnestralen, die in dit jaargetijde niet malsch waren, geduld oefenen, totdat de vloed doorkwam, hetgeen zoo omstreeks tegen het middaguur zou plaats hebben. Daarenboven, er was op zoo eene wederwaardigheid niet gerekend, zoodat er geen ander drinkwater aan boord dier vaartuigen was, dan een smerig brak vocht, dat de kiel bedekte, en door zijne bruine kleur en weinige vloeibaarheid aan dik tabaksap deed denken en eene onverwinlijke walging deed ontstaan. Enkelen der dorstigen keken dat water aan; maar het was of hier en daar een pruim tabak er in ronddreef, die tot onthouding aanmaande. Enkelen schepten water met hunne kwartiermutsen uit het kanaal; maar dat zag er ook zoo vies en smerig uit, was daarenboven ook zoo brak, dat zij, die er zich aan gewaagd hadden, het akelige vocht nog sneller uitspogen, dan zij het ingezwolgen hadden. Dat was het eerste lijden in het nieuwe vaderland, hetwelk die mannen zich gekozen hadden.
Zonder die wederwaardigheid evenwel zoude die tocht langs dat kanaal niet geheel van bekoorlijkheid ontbloot zijn geweest. Of beter: de wederwaardigheid van dat vastzitten temperde eenigermate de genoegens van dien tocht. Het was toch Nieuwjaarsdag, dat wil zeggen een feestdag, een dag, waarop niet gewerkt werd. Wel stevende menige tambangan (inlandsch vaartuig) natuurlijk met Maleiers bemand, naar buiten om vertrekkenden naar de reede of aangekomen reizigers van de schepen te halen; de echte bedrijvigheid, die op andere dagen heerschte, ontbrak evenwel. De koophandel stond dien dag stil. Daarentegen wemelde het van inlanders op de lange kaaimuren van het kanaal, die ver in zee uitgebouwd waren. Dat volkje had ten gevolge van den feestdag vrijaf, en besteedde de morgenuren om te visschen. Zij zouden later op den dag hun beste kleeren aantrekken om bij hunne verschillende patroons hun „slamat tahoen baroe!” (nieuwjaarswensch) af te steken. Nu evenwel zag men ze buiten de beide kaaimuren ter weerszijden van het kanaal, in zee met hunne werpnetten, hunne kruisnetten, hunne treknetten bedrijvig om den begeerden buit te bemachtigen. Hier en daar werd zelfs eene vrouw ontwaard, die den sarong tot boven de knie opgebonden dapper in zee stond, en daar den vischhaak, bevestigd aan een zeer lang snoer, met nog langere hengelroede, wijd in zee slingerde, om zoo te pogen een argeloozen waterbewoner te verschalken.
„Kijk, kijk!” riep een soldaat, in de voorste prauw gezeten, terwijl hij naar eene vrouw wees, die met een grooten visch werkelijk worstelde om hem machtig te worden. „Kijk, die kerel heeft een fameusen te pakken!”
Allen keken aandachtig toe, ook kapitein Van Dam, onze oude bekende, die met dokter Hannius onder een afdakje van palmbladeren voor de zonnestralen eenigszins beschut zaten. De kapitein glimlachte op de bemerking van den soldaat.
„Dat is geen kerel, dat is eene vrouw, die daar aan het worstelen is,” zeide hij.
„Te drommel!” mompelde sergeant Brinkman, die met Riethoven in hetzelfde vaartuig zat en het antwoord van den kapitein gehoord had: „Je kunt aan de kleeding niet ontwaren, of het man of vrouw is. Dat moet toch lastig zijn!”
„Eene vrouw heeft meestal geen hoofddoek op,” antwoordde een oudgediende, die in de nabijheid zat. „Zij heeft ook in den regel een langer badjoe of jak, zooals jullie baren dat noemt, dan de man.”
Intusschen had die vrouw haren buit bemachtigd, en hief dien omhoog om hem aan een harer makkers te laten zien. Of haar sarong ten gevolge van de worsteling hoog boven de knie gefrommeld zat, scheen haar weinig te deeren.
„Sakkerloot,” bromde Frank Brinkman tusschen de tanden, „hier schijnt nog eene paradijsachtige onnoozelheid te heerschen!”
„Kijk eens wat een mooie visch!” merkte kapitein Van Dam den dokter op.
„Dat.... dat.... voorzeker is dat een mooie visch,” antwoordde Hannius. „Dat hoort tot de Clupea. Maar wat is die groot!”
„Wat noemt gijlieden geleerden: clupea?”
„Clupea zijn haringen, kapitein.”
De oude krijgsman keek den esculaap met een doordringend oog aan, of die ook den draak met hem stak; maar er was op het gelaat van den Germaan zooveel argeloosheid te lezen, dat aan een koopje niet gedacht kon worden.
„Zoo! zijn Clupea haringen? Nu dan is dit een zilverharing; maar de inlanders noemen hem „bandeng.” Die is drommels lekker, hoor.”
„Maar kijk eens, kapitein, wat die visscher daar gevangen heeft! O, daarbij is zich niet te vergissen. Dat is eene Serranus-soort!”
„Ik vraag al weer: wat noemt gij geleerden een Serranus?”
„Dat is eene baars-soort, kapitein.”
„Drommels, dat zou ik er niet uit gemaakt hebben. Die poespas is mij te geleerd. Het is eenvoudig een kakap, die hier in Indië door de niet geleerden de Indische schelvisch genoemd wordt. Ook zeer lekker, hoor! De vergelijking is met verstand gekozen!”
Als de tocht nog wat langer geduurd had, dan zou dr. Hannius voorzeker een geheelen cursus van inlandsche ichtyologie doorloopen hebben. Kapitein Van Dam scheen een kenner te zijn, vooral uit een oogpunt van lekkerbekkerij.
Toen de prauwen, door een viertal opvarenden, die daartoe over de kaaimuren liepen, getrokken, het waterkasteel—een ouden bouwval—genaderd waren
You can download, read online, find more details of this full eBook In het land der zon - Een kwart eeuw tusschen de keerkringen by M. T. H. Perelaer from
And convert it to the AudioBook with any voice you like in our AI Voice AudioBook app.
Loading QR code...