ZanChat logo

Free eBook, AI Voice, AudioBook: De schat in het Zilvermeer by Karl May

AI Voice AudioBook: De schat in het Zilvermeer by Karl May

AudioBook: De schat in het Zilvermeer by Karl May

0:00 / Unknown

Loading QR code...

You can listen full content of De schat in het Zilvermeer by Karl May in our app AI Voice AudioBook on iOS and Android. You can clone any voice, and make your own AudioBooks from eBooks or Websites. Download now from the Mobile App Store.

Listen to the AudioBook: De schat in het Zilvermeer by Karl May

DE ZWARTE PANTER.

Omstreeks het middaguur van een zeer heeten Junidag was de "Dogfish"--een der grootste stoomschepen voor passagiers en goederen van Arkansas--druk bezig met zijn geweldige schepraderen de wateren der rivier te klieven. Dien ochtend zeer in de vroegte was deze stoomboot van Little Rock afgevaren en zou nu spoedig Lewisburg bereiken, om daar aan te leggen, wanneer er nieuwe passagiers of goederen aan boord genomen moesten worden.

De felle hitte had de meer welgestelde reizigers naar hun kajuiten of slaapplaatsen gedreven, en de meesten der dekpassagiers lagen achter vaten, kisten en ander pakgoed, overal waar slechts een weinig schaduw te vinden was. Voor die passagiers had de kapitein onder een uitgespannen zeil een Bed-and-Board (dat is een toeslaande beddekast) laten zetten waarop allerlei glazen en flesschen stonden, welker scherpe inhoud in geen geval geschikt was voor verwende gehemelten en tongen. Achter deze soort van toonbank zat de knecht van den hofmeester, vermoeid van de hitte, met zijn oogen dicht te knikkebollen. Van tijd tot tijd gingen zijn oogleden even open, en dan kwam er een binnensmonds geprevelde vloek of ander kras woord over zijn lippen. Die uitingen van wrevel golden een groep van een groot twintigtal mannen, die vóór de toonbank in een kring op den grond zaten, en den dobbelbeker van hand tot hand lieten gaan. Er werd om een drink (= "zoopje") gespeeld, dat wil zeggen: als het spel uit was moest de verliezer voor elk der medespelers een borrel betalen. Daardoor was de hofmeestersknecht niet in de gelegenheid een dutje te doen, waarin hij blijkbaar zooveel trek had.

Die mannen hadden stellig niet pas hier op de stoomboot kennis gemaakt, want zij speelden "jij en jou" tegen elkander en, naar men uit sommige uitdrukkingen nu en dan kon opmaken, schenen zij met elkaars omstandigheden volkomen bekend. Als tegenhanger van die algemeene vertrouwelijkheid, was er één onder hen, voor wien al de anderen een soort van ontzag schenen te hebben. Zij noemden hem "kornel," zooals men weet, een verbastering van het woord "kolonel," dat "overste" beteekent.

Die man was lang en mager; met een gladgeschoren gezicht, met scherpgeteekende gelaatstrekken, en een borsteligen, roodkleurigen keelbaard. Ook zijn kort geknipt hoofdhaar was zoo rood als een vos, wat men duidelijk zien kon, daar hij den ouden, versleten vilten hoed, dien hij ophad, ver achteruit in zijn nek had geschoven. Zijn kleeding bestond uit zware, met spijkers beslagen vetleeren schoenen, een nanking-broek, en een kort wambuis van dezelfde stof. Een vest droeg hij niet; in stede daarvan was een ongestreken vuil hemd te zien, waarvan de breede halskraag, zonder door een das bijeengehouden te worden, wijd openstond, zoodat men zijn sterk door de zon gebruinde, bloote borst zag. Om zijn middel was een soort van rooden gordel gebonden bij wijze van sjerp, waaruit de handvatsels van een mes en twee pistolen te voorschijn kwamen. Achter hem lag een geweer, nog zoogoed als nieuw, en een linnen knapzak, voorzien van twee banden, om als ransel op den rug gedragen te worden.

De andere mannen waren eveneens slordig en even onooglijk gekleed, maar insgelijks zeer goed gewapend. Er was niet één onder hen, dien men op het eerste gezicht zou hebben durven vertrouwen. Zij dobbelden met een hartstochtelijkheid, alsof de speelduivel in hen gevaren was, en voerden daarbij hun gezelligen kout in uitdrukkingen, zoo ruw en plat, dat iemand, die op een greintje beschaving aanspraak kon maken, zeer zeker geen minuut bij hen zou hebben blijven staan. Zij hadden stellig reeds verscheidene "zoopjes" gebruikt, want hun gezichten waren niet alleen door de zon verhit, maar ook klaarblijkelijk in geen geringere mate door den sterken drank.

De kapitein van het stoomschip had de commandobrug verlaten, en was naar de achterplecht gegaan, om aan den stuurman eenige noodige bevelen te geven. Toen dit gedaan was zeide laatstgenoemde: "Wat denkt gij van de snaken, die daar op de voorplecht zitten te dobbelen, kapitein? Mij dunkt, dat zijn boys (= jongens), die men maar liever niet aan boord ziet komen."

"Zoo denk ik er ook over," antwoordde de gevraagde met een hoofdknikje. "Zij hebben zich wel uitgegeven voor harvesters (= oogsters), die naar het Westen willen, om zich op de boerderijen als daggelders te verhuren, maar ik zou niet gaarne de man zijn, bij wien zij om werk kwamen aankloppen."

"Wel sir! ik voor mij, ik houd hen voor echte tramps (= vagebonden); ik hoop ten minste maar, dat zij zich hier aan boord rustig zullen houden."

"Ik zou hen niet raden het ons lastiger te maken, dan wij gewend zijn. Wij hebben hands (= manschap) genoeg aan boord om hen allen in den ouden, gezegenden Arkansas te smijten. Maak overigens maar klarigheid om aan te leggen, want binnen tien minuten zal Lewisburg in het gezicht komen."

De kapitein ging weer op zijn brug staan, om de bij het aanleggen noodige bevelen te geven. Reeds zeer spoedig zag men de huizen der bedoelde plaats, welke het schip begroette met een langgerekt oorverdoovend geraas met de stoomfluit. Van het bruggenhoofd aan wal werd het sein gegeven, dat de boot vrachtgoederen en passagiers in moest nemen. De reizigers, die zich tot nu toe onder het dek hadden opgehouden, kwamen thans naar boven, om getuigen te wezen van deze kortstondige afwisseling op den vervelend langen overtocht.

Trouwens, een zeer onderhoudend schouwspel werd hen daardoor niet aangeboden. Lewisburg was destijds op verre na nog niet van zooveel beteekenis als tegenwoordig. Op de aanlegplaats stonden slechts ettelijke leegloopers; er waren slechts eenige kisten en pakketten mede te nemen, en het aantal der aan boord komende nieuwe passagiers bedroeg slechts drie, die, toen zij de vracht betaalden, door den met de inning belasten beambte volstrekt niet als gentlemen (= heeren van stand) behandeld werden.

Een hunner was een blanke, rijzig van gestalte en ongemeen forsch van lichaamsbouw. De groeikrac

You can download, read online, find more details of this full eBook De schat in het Zilvermeer by Karl May from

And convert it to the AudioBook with any voice you like in our AI Voice AudioBook app.

Loading QR code...