ZanChat logo

Free eBook, AI Voice, AudioBook: De Prins en Johan de Witt by P. J. Andriessen

AI Voice AudioBook: De Prins en Johan de Witt by P. J. Andriessen

AudioBook: De Prins en Johan de Witt by P. J. Andriessen

0:00 / Unknown

Loading QR code...

You can listen full content of De Prins en Johan de Witt by P. J. Andriessen in our app AI Voice AudioBook on iOS and Android. You can clone any voice, and make your own AudioBooks from eBooks or Websites. Download now from the Mobile App Store.

Listen to the AudioBook: De Prins en Johan de Witt by P. J. Andriessen

De Prins en Johan de Witt

Of Ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering.

Door P. J. Andriessen.

Vijfde Druk.

Leiden.--A. W. Sijthoff's Uitg.-Mij.

EERSTE HOOFDSTUK.

De tienjarige Leidsche Student.

Wanneer wij, mijne jonge lezers, op Dinsdagmorgen den 28sten September 1660, langs het Rapenburg te Leiden waren gewandeld, dan zouden wij hebben blijven stilstaan voor een groot gebouw op den hoek van de Langebrug (toen Voldersgracht); hetwelk echter thans niet meer bestaat en sedert vervangen is door aanzienlijke woonhuizen. Dat oude gebouw ziet er allesbehalve aanlokkelijk uit met zijne drie ramen in de benedenverdieping en zijne dertien in de bovenste, alle met traliën voorzien en in tweeën verdeeld; het onderste gedeelte door twee luikjes van buiten gesloten. Wat steken die kleine, als ruiten gesneden en in lood gevatte glazen treurig af tegen de drie spitse en met sierlijke torentjes bezette geveltjes, de beide uiterste van één, de middelste van drie zolderramen voorzien. De naast het huis gebouwde poort, door een schildwacht bewaakt en die den eenigen toegang tot het huis geeft, dient er weinig toe om ons tot binnentreden uit te lokken. Bijna zouden wij meenen, dat het een gevangenis was; doch dan zouden de bovenramen ook van ijzeren traliën voorzien zijn. Dan een klooster? vraagt gij. En hierin hebt gij zoo geheel en al geen ongelijk, ofschoon 't wel te verwonderen zou zijn, als men nog ten jare zestienhonderd en zestig binnen de stad Leiden een klooster vond. Ik wil u 't raadsel oplossen.

Het gebouw, voor 'twelk wij staan, was vóór het beleg en ontzet der stad een klooster, gewijd aan de heilige Barbara en bewoond door nonnen van de Sint Franciscusorde. Nadat de benarde veste echter voor goed van 't Spaansche juk verlost was, werd het in 1575 ingericht tot academie. Toen deze later in een ander gebouw was overgeplaatst, werd het vroegere St.-Barbara-klooster op stadskosten opgeknapt en geschikt gemaakt tot een verblijfplaats voor onze Prinsen, wanneer die te Leiden vertoefden; terwijl het tevens tot huisvesting diende voor vorstelijke personen. Zoo heeft, nu zeven-en-veertig jaren geleden (in 1613), Prinses Elizabeth, dochter van Koning Jacobus I van Engeland en echtgenoote van Frederik V, keurvorst van de Paltz en naderhand koning van Bohemen, in dat huis gelogeerd. Daar nu haar gevolg en dat van onzen stadhouder Prins Maurits uit niet minder dan vijfhonderd personen bestond, en deze allen in dat huis logeerden, kunt gij u wel voorstellen, dat het een druk vertoeven moet geweest zijn in het huis, dat toen nog zoo min tot een paleis dan tot het verblijf der Prinsen in het algemeen geëigend was. Het was het huis, dat thans, zooals wij reeds zeiden, niet meer bestaat en eenigen tijd aan de academie, later aan onze vorsten, tot woning verhuurd werd.

De schildwacht bij de poort, dien wij zagen, hoefde echter dien dag weinig bezoekers te ontvangen. Slechts één bezoeker, een jongen, kwam te paard aan de poort, met een paar brieven in de hand. Dat de jongen een bezoeker van aanzien was, was te zien aan zijn kleeding, die echter niet bepaald pronkzuchtig was. Een zijden mantel en een hoed met pluimen verrieden hem echter als zoodanig. Hij liet zijn paard aan de wagt over, die hem in den binnenplaats opnam, en stapte vervolgens naar de leuningen die naar de trappen leidden, waar men hem de deur wel openen zou.

"Wat moet gij hier?" vroeg de schildwacht, hem met een vragenden blik aanziende.

"Ik heb een brief voor den heer van Leyden," antwoordde de jongen, met een stem die, hoe vlug ook gesproken, toch een zekere zachtheid bezat.

De schildwacht greep zijn geweer en ging met den jongen de trappen op, om hem naar de kamer van den heer van Leyden te brengen. Nadat zij het portiek, waar men den bezoeker reeds verwachtte, waren binnengetreden, werd hun de deur van een kamer geopend. Een ruime kamer, die echter met de meest noodzakelijke meubelen slechts schraal was uitgerust. Een tafel met een paar stoelen, een bed en eenige kleederen in den hoek, en dat was alles. Een man van middelbaren leeftijd, met een bleek gezicht en een kalen schedel, zat aan tafel te schrijven. Hij hief het hoofd op, toen de schildwacht hem antwoord gaf, en sloeg zijne oogen op den jongen.

"Den heer van Leyden?" vroeg de jongen, dien het niet beviel, dat de man daar met de eene hand op zijn stoel bleef zitten, terwijl hij met de andere de deur voor zich opende.

"Ik ben de heer van Leyden," antwoordde de man met een zucht, terwijl hij zijn stoel aanschoof. "Wat wilt gij?"

"Ik heb een brief van mijnheer de Prins," zeide de jongen, en gaf hem den brief.

De heer van Leyden las den brief, met zijn oogen opeenvolgend alle lijnen, welke hij aan de brief aan die zijde zag. Hij las verder, en de tranen rolden hem van de oogen.

"Zijt gij die de Prins zendt?" vroeg hij, terwijl hij den brief ter neer legde.

"Ja, meneer," zeide de jongen, met een buiging.

"Hoe oud zijt gij?" vroeg hij.

"Ik ben tien jaar oud, meneer."

"Tien jaar oud!" herhaalde de heer van Leyden, met eene zucht. "En de Prins stuurt u al in die kleederen van Prins Willem naar die zijde van het Rijnland!"

Hij stond op, en zei: "Kom, ga met mij mee, mijn jongen. De Prins verzoekt mij uw aankomst, maar ik heb zoo weinig gelegenheid om den Prins een brief te schrijven, dat ik nu toch wel een paar woorden moet schrijven, en ik wil u nog wel een paar dagen aanhouden om een paar toespraken van u te hooren."

De jongen, die met den Prins een paar duizend schreden ver had geloopen, was echter niet opgewekt door het aanbod van den heer van Leyden. Hij was zoo moe als een hond, en de lange reis had zijn krachten uitgeput. De jongen, die met den Prins maar al te zeer bekend was, had hem echter niet den weg gewezen, maar naar de kamer van den heer van Leyden. De jongen, die den Prins van zijne jeugd af kende, wist echter niet, dat hij met den Prins al lang bekend was, en hij had hem dien dag niet meer te zien. Hij had hem zijn nieuw kostuum willen toonen, en den Prins had hij nog niet ontmoet. Zoo heeft de jongen hem dien dag niet meer gezien, en den Prins zijn gansche leven niet meer. De jongen, die dus met den Prins een paar honderd schreden had geloopen, was nog maar een jaar of tien en had reeds den Prinsen van Oranje van zijne jeugd af gekend, en hij had dezen brief van hem gekregen. En dat die jongen met den Prins een paar honderd schreden had geloopen, was reeds een bewijs dat hij dien dag zeker met den Prins zou hebben gesproken, indien hij niet zulke vele bekende vrienden had gehad, dat hem de weg werd gewezen. Hij moest zich op eene andere reis voorbereiden, en dus had hij met den Prins nog geen woorden gewisseld, maar er was geen reden waarom hij niet naar de kamer van den heer van Leyden zou gaan.

De heer van Leyden ging met den jongen naar de groote kamer van het huis, waar reeds eenige personen zaten te wachten. Den jongen werd door den heer van Leyden een plaats aangewezen en deze moest plaats nemen, terwijl de heer van Leyden met de overige personen over de aanstaande verkiezing van den Prins sprak.

"Ik heb hier den jongen," zeide hij, "deze zal zeker zoo goed als ik uw vragen antwoorden, want de Prins en de Koning zijn zoo goed, dat zij mij voor het zenden van een brief naar den Prins, altijd den besten brief zullen laten schrijven, en dat zoo hij hier is, hij dan zeker met den Prins kan spreken."

De jongen luisterde aandachtig naar de gesprekken van den heer van Leyden, en wanneer hij met zijne vragen kwam, ging hij met groote oplettendheid te werk, om geen enkel woord te missen. Hij leerde hier uit, dat de Prins spoedig naar Engeland zoude komen, en dat men hem dan op zijn terugkomst met een groot getal menschen zou ontvangen. De jongen wist niet, dat hij in de kamer van den heer van Leyden was, maar hij wist wel, dat hij hier aan tafel zat, en dat hem zoo spoedig mogelijk een paar vragen gesteld werden, en dat hij dan moest antwoorden. Hij wist ook, dat hij met den Prins in de kleederen van de Prinsen van Oranje, die hij bij zich droeg, naar de plaats zoude gaan, waar de Prins zoude worden ontvangen. Hij werd reeds een jaar of tien, en hij zag hier in de groote kamer eene verzameling van een paar duizend menschen, zoo dat hij kon zien, dat de Prins zelve niet zoude kunnen spreken, maar dat er een paar personen zouden komen, die dan voor hem zouden spreken, en dat hij dan in de kamer van den heer van Leyden zoude komen.

Hij zag de verzameling van een paar duizend menschen, en dat het niet te verwonderen was, dat de Prins die dag niet kon spreken, en dat er een paar personen zouden komen, die dan voor hem zouden spreken. Want hij wist, dat de Prins altyd in het gezelschap van den heer van Leyden was, en dat de heer van Leyden zich altijd met de zaken van den Prins bemoeide. Hij wist dus, dat de Prins hem in de kamer van den heer van Leyden zoude ontmoeten, en dat de heer van Leyden hem zoude zeggen, dat hij hem op denzelfden dag naar Engeland zoude zenden, en dat hij dan met den Prins een paar vragen zoude hebben om hem te onderhouden.

You can download, read online, find more details of this full eBook De Prins en Johan de Witt by P. J. Andriessen from

And convert it to the AudioBook with any voice you like in our AI Voice AudioBook app.

Loading QR code...