ZanChat
ZanChat logo

Free eBook, AI Voice, AudioBook: Nederlandsche Sagen en Legenden by Josef Cohen

AI Voice AudioBook: Nederlandsche Sagen en Legenden by Josef Cohen

AudioBook: Nederlandsche Sagen en Legenden by Josef Cohen

0:00 / Unknown

Loading QR code...

You can listen full content of Nederlandsche Sagen en Legenden by Josef Cohen in our app AI Voice AudioBook on iOS and Android. You can clone any voice, and make your own AudioBooks from eBooks or Websites. Download now from the Mobile App Store.

Listen to the AudioBook: Nederlandsche Sagen en Legenden by Josef Cohen

Het vrouwtje van Stavoren

Er was eens in de oude, goede tijd, toen het land nog ruimer en de mensen nog eenvoudiger waren, dat er in het stadje Stavoren aan de Zuiderzee een rijke weduwe woonde, een deftig vrouwtje, dat wel heel veel geld had, maar, naar het schijnt, niet het verstand had om 't te gebruiken.

Zij had een groote, schoone woning, de prachtigste van de stad, en ook schepen, die uit voeren om handel te drijven, en die haar, door hun vaart, nog rijker maakten.

Het vrouwtje had den raad des ouds gevolgd, dat men altijd op de toekomst moet letten, en dat men, zoo men welvarende is, voor de dagen van armoede een schat moet aanleggen. Dat scheen ze te doen. Ze deed Haar schepen naar verre landen gaan, en die kwamen, beladen met schatten, terug.

Men zag er, in de volle zon, den gloed van goud en het blinken van zilver. Maar het vrouwtje was nog niet tevreden, ze begeerde nog meer, steeds meer. Ze was niet te stillen; hoe veel ze ook bezat, ze wilde nog meer.

Op zekeren dag sprak zij tot haar schipper:

"Scheept U naar verre, vruchtbare landen en koopt Gij mij den besten en schoonsten waren, dien Gij vinden kunt. Ik wil de mooiste, de heerlijkste spijzen, die de wereld ooit heeft gezien. Maar laat geen oogenblik verloopen, want mijn hart dorst naar nieuwe schatten."

De schipper deed, zooals hij bevolen was. Hij voer naar verre, heuchelijke landen, waar de vruchten rijp en de menschen welgesteld waren. Hij voer de haven binnen, waar de schepen zuchtten onder de last van kostbare waren. En hij kocht, wat hij vinden kon: kruiden, specerijen, goud, zilver en zijde. En hij kocht ook den mooisten waren, dien men ook maar zijn kon. En hij zocht ook nog naar het allermooiste en beste, dat er te krijgen was.

Hij vond een kostelijken steen, die uit den bodem van de zee was gekomen. Hij glom als een ster en had de kleur van den ochtendzon. En hij kocht ook den mooisten schelp, dien men zien kon. Hij was even fijn als de mooiste bloem en had de kleur van den avondhemel. En hij kocht ook nog het allermooiste, wat hij vinden kon.

Hij bracht zijn schip naar huis, geladen met de rijkste schatten. En hij gaf het vrouwtje de spijzen en de waren, die zij van hem verlangd had. Maar het vrouwtje was niet tevreden.

"Dit is niet wat ik begeerd heb," sprak zij. "Gij hebt mij niet gegeven wat ik begeerd heb. Gij hebt mij niet gegeven het allermooiste in de wereld. Ik heb U gezegd, dat Gij mij het allermooiste van de wereld moet brengen. En nu Gij dat niet gedaan hebt, moet Gij maar weer varen en het mij halen."

De schipper had de tranen in de oogen.

"Mijn vrouw," sprak hij, "het is niet mogelijk. Ik heb de wereld doorgezocht, en wat ik U gebracht heb, is het allerbeste en allerfijnste, dat er te krijgen is. Ik heb niet meer kunnen vinden, wat Gij begeerd hebt. Ik heb mijn leven geriskeerd, om aan Uwen wil te voldoen, en nu moet ik wederom gaan, en mijn leven nogmaals laten staan?"

"Neen," sprak het vrouwtje, "Gij zult gaan. Want ik heb U gezegd, dat Gij mij het allermooiste brengen moet. En wanneer Gij dat niet doet, dan zult Gij de gevolgen dragen."

De schipper ging van het vrouwtje weg, met zwaren moed. Hij ging naar zijn schip, dat in den haven lag. En hij ging van boord en sprak tot zijn schip:

"Mijn schip, mijn schip, ik heb U altijd goed behandeld, en Gij hebt mij altijd goed gediend. Maar nu moet ik U maar wederom varen, en Gij zult mijn dood moeten zijn."

En hij ging aan boord en voer uit, met zwaren moed. Hij voer nog langer en nog verder, dan hij nog nooit gegaan had. En hij kwam in landen, waar de mensen nog veel rijker waren dan in de landen, waar hij eerst geweest was. Hij zocht en hij zocht, maar kon niet vinden, wat het vrouwtje begeerd had.

En hij kwam in het heilige land, waar de menschen den Heere kenden, en waar zij hem den weg wezen naar den Tempel van den Allerhoogsten. Hij ging naar den Tempel, en hij zag daar het altaar van den Heere. En hij zag daar den hogepriester, die daar stond te bidden.

En de schipper ging tot den hogepriester en sprak:

"Ik heb een vrouw, die mij verplicht, om haar het allermooiste in de wereld te brengen. Maar ik kan het niet vinden. Kunt Gij mij helpen?"

De hogepriester sprak:

"Het allermooiste in de wereld, is het graan, dat uit den akker groeit. Dat is wat de menschen het meeste noodig hebben. En ik zal U geven wat Gij begeert."

En hij gaf den schipper een zak graan, dat men nog nooit gezien had. Het was nog veel mooier en fijner, dan het graan, dat men in het heilige land kende. En het had den glans van den hemel, en het rook als de bloemen van den hof van Eden.

En de schipper nam het graan en ging van den hogepriester weg, en ging naar zijn schip en voer naar huis.

En hij kwam in de haven van Stavoren, en het vrouwtje kwam hem tegemoet.

"Hebt Gij het gevonden?" sprak zij.

"Ja," sprak de schipper. "Ik heb het gevonden."

En hij gaf haar den zak graan, en het vrouwtje nam het in ontvangst. En zij ging naar haar huis, en zij zag het graan, en zij zag dat het nog mooier en fijner was, dan al het graan, dat zij nog nooit gezien had.

En zij ging naar haar huis en zij maakte een maaltijd, en zij nodigde al haar vrienden uit, om met haar te eten. En zij gaf het graan aan haar kok, en hij maakte er brood van. En het brood was nog nooit zoo lekker geweest.

En de vrienden aten het brood, en zij zeiden: "Dit is het beste, wat wij ooit gegeten hebben."

Maar het vrouwtje was nog niet tevreden. Zij wilde nog meer.

"Ik wil nog meer," sprak zij. "Ik wil nog meer, en nog meer."

En zij zei tot den schipper:

"Gij moet nog eenmaal gaan, en nog meer van het graan halen. En als Gij het niet doet, dan zult Gij de gevolgen dragen."

De schipper ging van het vrouwtje weg, met zwaren moed. Hij ging naar zijn schip, dat in den haven lag. En hij ging van boord en sprak tot zijn schip:

"Mijn schip, mijn schip, ik heb U altijd goed behandeld, en Gij hebt mij altijd goed gediend. Maar nu moet ik U maar wederom varen, en Gij zult mijn dood moeten zijn."

En hij ging aan boord en voer uit, met zwaren moed. Hij voer nog langer en nog verder, dan hij nog nooit gegaan had. En hij kwam in landen, waar de menschen nog veel rijker waren dan in de landen, waar hij eerst geweest was. Hij zocht en hij zocht, maar kon niet vinden, wat het vrouwtje begeerd had.

En hij kwam in het heilige land, waar de menschen den Heere kenden, en waar zij hem den weg wezen naar den Tempel van den Allerhoogsten. Hij ging naar den Tempel, en hij zag daar het altaar van den Heere. En hij zag daar den hogepriester, die daar stond te bidden.

En de schipper ging tot den hogepriester en sprak:

"Ik heb een vrouw, die mij verplicht, om haar het allermooiste in de wereld te brengen. Maar ik kan het niet vinden. Kunt Gij mij helpen?"

De hogepriester sprak:

"Het allermooiste in de wereld, is het graan, dat uit den akker groeit. Dat is wat de menschen het meeste noodig hebben. En ik zal U geven wat Gij begeert."

En hij gaf den schipper een zak graan, dat men nog nooit gezien had. Het was nog veel mooier en fijner, dan het graan, dat men in het heilige land kende. En het had den glans van den hemel, en het rook als de bloemen van den hof van Eden.

En de schipper nam het graan en ging van den hogepriester weg, en ging naar zijn schip en voer naar huis.

En hij kwam in de haven van Stavoren, en het vrouwtje kwam hem tegemoet.

"Hebt Gij het gevonden?" sprak zij.

"Ja," sprak de schipper. "Ik heb het gevonden."

En hij gaf haar den zak graan, en het vrouwtje nam het in ontvangst. En zij ging naar haar huis, en zij zag het graan, en zij zag dat het nog mooier en fijner was, dan al het graan, dat zij nog nooit gezien had.

En zij ging naar haar huis en zij maakte een maaltijd, en zij nodigde al haar vrienden uit, om met haar te eten. En zij gaf het graan aan haar kok, en hij maakte er brood van. En het brood was nog nooit zoo lekker geweest.

En de vrienden aten het brood, en zij zeiden: "Dit is het beste, wat wij ooit gegeten hebben."

Maar het vrouwtje was nog niet tevreden. Zij wilde nog meer.

"Ik wil nog meer," sprak zij. "Ik wil nog meer, en nog meer."

En zij zei tot den schipper:

"Gij moet nog eenmaal gaan, en nog meer van het graan halen. En als Gij het niet doet, dan zult Gij de gevolgen dragen."

De schipper ging van het vrouwtje weg, met zwaren moed. Hij ging naar zijn schip, dat in den haven lag. En hij ging van boord en sprak tot zijn schip:

"Mijn schip, mijn schip, ik heb U altijd goed behandeld, en Gij hebt mij altijd goed gediend. Maar nu moet ik U maar wederom varen, en Gij zult mijn dood moeten zijn."

En hij ging aan boord en voer uit, met zwaren moed. Hij voer nog langer en nog verder, dan hij nog nooit gegaan had. En hij kwam in landen, waar de menschen nog veel rijker waren dan in de landen, waar hij eerst geweest was. Hij zocht en hij zocht, maar kon niet vinden, wat het vrouwtje begeerd had.

En hij kwam in het heilige land, waar de menschen den Heere kenden, en waar zij hem den weg wezen naar den Tempel van den Allerhoogsten. Hij ging naar den Tempel, en hij zag daar het altaar van den Heere. En hij zag daar den hogepriester, die daar stond te bidden.

En de schipper ging tot den hogepriester en sprak:

"Ik heb een vrouw, die mij verplicht, om haar het allermooiste in de wereld te brengen. Maar ik kan het niet vinden. Kunt Gij mij helpen?"

De hogepriester sprak:

"Het allermooiste in de wereld, is het graan, dat uit den akker groeit. Dat is wat de menschen het meeste noodig hebben. En ik zal U geven wat Gij begeert."

En hij gaf den schipper een zak graan, dat men nog nooit gezien had. Het was nog veel mooier en fijner, dan het graan, dat men in het heilige land kende. En het had den glans van den hemel, en het rook als de bloemen van den hof van Eden.

En de schipper nam het graan en ging van den hogepriester weg, en ging naar zijn schip en voer naar huis.

En hij kwam in de haven van Stavoren, en het vrouwtje kwam hem tegemoet.

"Hebt Gij het gevonden?" sprak zij.

"Ja," sprak de schipper. "Ik heb het gevonden."

En hij gaf haar den zak graan, en het vrouwtje nam het in ontvangst. En zij ging naar haar huis, en zij zag het graan, en zij zag dat het nog mooier en fijner was, dan al het graan, dat zij nog nooit gezien had.

En zij ging naar haar huis en zij maakte een maaltijd, en zij nodigde al haar vrienden uit, om met haar te eten. En zij gaf het graan aan haar kok, en hij maakte er brood van. En het brood was nog nooit zoo lekker geweest.

En de vrienden aten het brood, en zij zeiden: "Dit is het beste, wat wij ooit gegeten hebben."

Maar het vrouwtje was nog niet tevreden. Zij wilde nog meer.

"Ik wil nog meer," sprak zij. "Ik wil nog meer, en nog meer."

En zij zei tot den schipper:

"Gij moet nog eenmaal gaan, en nog meer van het graan halen. En als Gij het niet doet, dan zult Gij de gevolgen dragen."

De schipper ging van het vrouwtje weg, met zwaren moed. Hij ging naar zijn schip, dat in den haven lag. En hij ging van boord en sprak tot zijn schip:

"Mijn schip, mijn schip, ik heb U altijd goed behandeld, en Gij hebt mij altijd goed gediend. Maar nu moet ik U maar wederom varen, en Gij zult mijn dood moeten zijn."

En hij ging aan boord en voer uit, met zwaren moed. Hij voer nog langer en nog verder, dan hij nog nooit gegaan had. En hij kwam in landen, waar de menschen nog veel rijker waren dan in de landen, waar hij eerst geweest was. Hij zocht en hij zocht, maar kon niet vinden, wat het vrouwtje begeerd had.

En hij kwam in het heilige land, waar de menschen den Heere kenden, en waar zij hem den weg wezen naar den Tempel van den Allerhoogsten. Hij ging naar den Tempel, en hij zag daar het altaar van den Heere. En hij zag daar den hogepriester, die daar stond te bidden.

En de schipper ging tot den hogepriester en sprak:

"Ik heb een vrouw, die mij verplicht, om haar het allermooiste in de wereld te brengen. Maar ik kan het niet vinden. Kunt Gij mij helpen?"

De hogepriester sprak:

"Het allermooiste in de wereld, is het graan, dat uit den akker groeit. Dat is wat de menschen het meeste noodig hebben. En ik zal U geven wat Gij begeert."

En hij gaf den schipper een zak graan, dat men nog nooit gezien had. Het was nog veel mooier en fijner, dan het graan, dat men in het heilige land kende. En het had den glans van den hemel, en het rook als de bloemen van den hof van Eden.

En de schipper nam het graan en ging van den hogepriester weg, en ging naar zijn schip en voer naar huis.

En hij kwam in de haven van Stavoren, en het vrouwtje kwam hem tegemoet.

"Hebt Gij het gevonden?" sprak zij.

"Ja," sprak de schipper. "Ik heb het gevonden."

En hij gaf haar den zak graan, en het vrouwtje nam het in ontvangst. En zij ging naar haar huis, en zij zag het graan, en zij zag dat het nog mooier en fijner was, dan al het graan, dat zij nog nooit gezien had.

En zij ging naar haar huis en zij maakte een maaltijd, en zij nodigde al haar vrienden uit, om met haar te eten. En zij gaf het graan aan haar kok, en hij maakte er brood van. En het brood was nog nooit zoo lekker geweest.

En de vrienden aten het brood, en zij zeiden: "Dit is het beste, wat wij ooit gegeten hebben."

Maar het vrouwtje was nog niet tevreden. Zij wilde nog meer.

"Ik wil nog meer,"

You can download, read online, find more details of this full eBook Nederlandsche Sagen en Legenden by Josef Cohen from

And convert it to the AudioBook with any voice you like in our AI Voice AudioBook app.

Loading QR code...

Free eBook, AI Voice, AudioBook: Nederlandsche Sagen en Lege | ZanChat AI